Wat zég je?

Bij improvisatie, en zeker Theatersport, draait het vaak om humor & grappig. Niets mis mee, alleen niet iedere speler is van nature gevat en humoristisch. En hetzelfde geldt voor karakters.
Bij deze warming-up ga je (daarom) aan de slag met de gewone, alledaagse teksten van karakters. Want die dragen zeker zoveel bij aan een scène als de grappen.

Zet iedereen in een kring, en kies een algemeen karakter. Bijvoorbeeld een bakker, een bankier, een junk, of een tante.
Laat nu iedereen om de beurt een zin zeggen die typisch door dat karakter gezegd zou worden. Gewoon heel dagelijkse zinnen, die niet leuk of grappig hoeven te zijn. Het trefwoord hierbij is “herkenbaarheid”.

Bijvoorbeeld, zaken die een bankier zou kunnen zeggen, zijn: Is dit voor de betaal- of spaarrekening?, Hiervoor is een vorm van identificatie nodig, Daarover betaalt u 4% rente, en Wilt u een lollie voor uw zoontje?. Zinnen als Ik haat mijn baan zijn minder passend (want te generiek), terwijl Ik haat mijn baan bij deze bank. Ik doe dit alleen omdat mijn vader de directeur is weer wel goed is.
Zaken die bijvoorbeeld een tante zou kunnen zeggen: Wat ben je groot geworden, Zal ik eens kijken of er nog wat lekkers in mijn handtas zit?, enzovoorts.

Je zal zien dat je dialogen in scènes op deze manier er toch weer nét wat levendiger – en herkenbaarder – van worden. En dat is altijd een plus ^_^

Geef een reactie