De duidelijkheid van steeds minder tijd

Bij deze oefening zetten twee spelers een scène neer in 60, 45, 30, 15, en 10 seconden. Ze kunnen zo onderzoeken hoe je een scène nog steeds kan laten werken, zelfs met weinig tijd. En ze kunnen ervaren hoe relatief speeltijd soms kan zijn… ^_^

Hoe werkt het?

Deze oefening speel je met 2 spelers. Die starten met het neerzetten van een scène die exact 60 seconden duurt – niet korter, maar ook niet langer. Voor deze scène (en alle scènes hierna) wordt verder geen input gevraagd: kijk als spelers wat je waarneemt & voelt, en laat daaruit je spel ontstaan.
Na afloop bespreek je deze scène niet na, maar gaan we meteen door naar opnieuw een scène, maar nu eentje van exact 45 seconden. Daarin mogen de spelers bijvoorbeeld een kortere versie van de vorige scène spelen, maar een compleet nieuwe scène mag ook.
Doe daarna hetzelfde nog een keer, maar dan met een scène lengte van 30, 15, en 10 seconden.

Ik vraag na afloop altijd eerst aan de spelers hoe dit voor hen was om te doen. Dat is een open vraag: als een speler het bijv. moeilijk vond, mag hij dat ook gewoon aangeven. Opvallend genoeg blijkt daarbij vaak dat men de laatste (kortere) rondes makkelijker vond dan de eerste. Als reden wordt dan meestal aangegeven dat ze wisten dat er toch niet veel tijd was om vol te spelen, dus ze hoefden ook niet enorm veel te gaan bedenken.
Daarna vraag ik ook altijd aan de kijkers wat ze in positieve zin bijgebleven is, resp. wat er voor hen werkte in de scènes. Dat levert namelijk duidelijke, concrete feedback op voor de spelers. En ook blijkt hier vaak uit dat de latere (kortere) rondes het meest positief ervaren worden, ómdat ze vaak een duidelijke focus & weinig ‘fluff’ hebben.

Tips voor de spelers

Je kan het spelen met wisselende tijden op allerlei manieren aanvliegen. Hier zijn een paar tips:

  • Start de scène meteen met een Late-in of vergelijkbare krachtige openingszin. Zo bespaar je tijd, en geef je meteen schwung aan het geheel;
  • Korter ≠ sneller! Ga bij de kortere rondes niet steeds sneller spelen. Dit is geen oefening om evenveel verhaal in steeds kortere tijd te proppen, maar om een scène die ergens over gaat neer te zetten in steeds kortere tijd;
  • Hou het bij één ding waar de scène om draait, en dan bij voorkeur het eerste significante ding uit de scène. Probeer in de beperkte tijd die je hebt niet een heel complex verhaal neer te zetten – dat past gewoon niet;
  • Hou gerust je startpunt (bijv. je emotie) lang vast. Start je de scène bijvoorbeeld boos, laat die emotie dan niet te snel los, maar gebruik hem om de situatie, je karakter, je relatie met de ander, e.d., (verder) in te vullen. Maar wat als mijn startpunt [bijv. die emotie] niet past bij die van mijn medespeler? Geen probleem: speel dat uit. Laat het maar schuren en botsen (uiteraard zonder te blokkeren): dat levert mooi ‘drama’ op, en geeft je veel aanknopingspunten voor de rest v.d. scène!
  • Zoek het meer in ‘een moment uit het leven van…‘, dan in een compleet rond verhaal. Dat laatste lukt namelijk heel moeilijk in 60 seconden, en zo’n ‘moment uit’ is als vorm ook een stuk vergeeflijker qua begin en einde;
  • Gebruik weinig tekst, en laat de dingen aankomen bij je karakters. Liever één mooi uitgespeeld moment, dan twee talking head karakters die nergens écht door geraakt worden. Iets wat zeker geldt voor de scènes van 15 en 10 seconden;

Merk op dat de hiervoor genoemde tips, ook opvallend goed werken voor scènes die lánger duren dan 60 seconden. Het feit dat je bij bijv. een lange vorm meer tijd hebt voor een scène, is geen excuus om de scène met opvulspel (= uitstel!) te starten. Vul meteen één of meer belangrijke zaken in, zodat je scène direct een lekkere basis heeft. Dat speelt fijner, én dat kijkt fijner. Probeer het eens uit bij een training: wie weet wat het oplevert ;-)

Geef een reactie