Een beroep: ‘t is maar wat je ermee doet!

Deze oefening laat zien hoe je de heel standaard input van een beroep (zeker als dat een vaak geroepen beroep is…!), eenvoudig verrassende & frisse invullingen kan geven.

[Deze oefening komt uit een workshop van Gosia Różalska, dus de credits gaan naar haar ^_^ ]

Hoe werkt het?

Vraag om een beroep, liefst eentje wat vaak geroepen wordt als je daar om vraagt (denk: bakker, of slager).
Eén speler gaat nu dat beroep neerzetten op 3 manieren, in 3 (heel) korte solo scènes:

  1. Cliché versie:

    Speel het beroep zo cliché mogelijk uit, waarschijnlijk als een (vet) typetje. Dus een slager die een beest opensnijdt, en lekkerbekt wat hij allemaal daarvan kan gaan maken. Of een bakker die heel duidelijk deeg aan het kneden is.
    Het is de versie die veel ervaren spelers proberen te vermijden (want te voorspelbaar, niet origineel, etc.). Maar het is óók de versie die het duidelijkst is voor je medespeler(s) en voor het publiek!

  2. Versie die in 1 opzicht tegenovergestelde is aan/afwijkt van de 1e versie:

    Je pakt een aspect uit de eerste scène, en speelt dat tegenovergesteld of in ieder geval héél anders dan wat we gezien hebben. Dus bijvoorbeeld een slager die sadistisch op een beest inhakt, en helemaal niet bezig is met wat hij met het ‘resultaat’ kan gaan maken. Of een slager die het zielig/erg vindt om een beest te moeten opsnijden.
    Bij bijvoorbeeld een arts kan je in de 2e scène deze neerzetten wanneer hij als patiënt bij een andere arts zit. Of een arts die niet in een gewone spreekkamer zit, maar in een oorlogssituatie;

  3. Het beroep, maar dan in het dagelijkse leven:

    Zet de uitvoerder van het beroep in een dagelijkse situatie, en laat daarin aspecten van zijn beroep terugkomen. Een slager is immers niet de hele dag ‘alleen maar’ slager, en een arts moet bijvoorbeeld ook gewoon boodschappen doen.
    Je kan dan bijvoorbeeld een slager hebben die in een restaurant zit, en vervolgens klaagt dat hij met het aangeboden bestek toch écht geen vlees kan snijden. En vervolgens uit zijn tas een enorm (slagers!)mes pakt om te illustreren wat hij wel zoekt.
    Of een arts die boodschappen doet, en een stuk groente wat er niet helemaal goed uitziet, gaat onderzoeken met een stethoscoop, of belooft het beter te gaan maken.

Is dit principe voor iedereen duidelijk, dan kan je het prima in paren gaan oefenen. Daarbij roept de speler niet speelt telkens een beroep.
Hou de scènes van de 3 variaties daarbij lekker kort, zodat je in korte tijd zo met meerdere beroepen kan gaan spelen. Maar maak de scènes ook weer niet zó kort dat je gehaast of onzorgvuldig gaat spelen: het is geen competitie!

Versie 1 en 2 van het beroep zijn heel fijn als je wil werken aan het snel & duidelijk neerzetten van een karakter. En/of als je wil werken aan typetjes. De 2e versie laat je daarbij zien hoe je eenvoudig je arsenaal van typetjes een nieuwe wendig kan geven: da’s twee keer zoveel mogelijkheden, voor bijna dezelfde prijs!
Versie 3 laat je zien hoe je met een beroep als start of als inspiratie, er prima een serieuzere en/of langere scène op kan baseren.

Wil je met je team trainen op het werken met karakters en ‘typetjes’? Schakel me in voor een training.

Geef een reactie