Laatste huiswerk voor de schrijfcursus!

Dinsdag aanstaande is de 1-na-laatste les van de schrijfcursus die ik volg. De laatste les zal voornamelijk een terugkijkles zijn waarbij we kijken naar de teksten die we in de loop van de cursus geschreven hebben. Ook heeft de cursusleidster dan – als het goed is – een boekje gemaakt van onze beste teksten (die we zelf moeten uitzoeken en de komende week bij haar moeten inleveren).

De huiswerkopdracht voor de komende les, betreft het houden van interview:
Teken een verhaal op van iemand anders. Iemand waarmee je vertrouwd bent, maar niet té.
Stel vragen a.d.h.v. een bepaald thema. Kies niet iets te groot(s).
Interview de persoon. Bereidt het goed voor. Maak een woordveld rond het thema. Vraag naar details. Stel neutrale en open vragen.
Schrijf 1 1/2 A4 vol. Jij als schrijver bent niet aanwezig. Schrijf vanuit de ik-vorm een lopend verhaal.

Voor het interview heb ik fub benaderd. Een goed thema konden we niet bedenken, maar toen ik hem vroeg om een moment te nemen wat hij zich nog heel goed kon herinneren, kwam hij uit op een gebeurtenis tijdens de vakantie naar IJsland. Ik heb hem daarover geïnterviewd, en dit heeft geresulteerd in een tekst over zwavelpoelen…!

Sulfatore

Het was in de zomer van 1997. Samen met mijn vriendin Ingeborg verbleef ik voor 11 dagen op IJsland. De vakantie was een compleet verzorgde rondreis. Het was een zogenaamd ‘Fly And Drive’-arrangement, wat inhield dat we de beschikking kregen over een huurauto, waarmee we van de ene overnachtingsplaats naar de andere konden reizen. De overnachtingsplaatsen en de volgorde waarin we ze bezochten was vastgelegd in het arrangement. Ons dagprogramma konden we naar eigen inzicht invullen.

Het was de vijfde dag in ons programma. We waren op weg naar onze volgende overnachtingsplaats in Myvatn, een kleine plaatsje bij een meer. “Myvatn” betekent in het Nederlands “het Muggenmeer”. Ik heb echt geen idee waarom het zo heet: er was rond het meer namelijk geen mug te zien!
De vorige avond hadden we in onze reisgids gekeken wat er voor bezienswaardigheden lagen op onze route van de volgende dag. Eén van de dingen die beschreven werd, waren de zogenaamde “Sulfatore”. Dit zijn een soort van modderpoelen waar zwaveldampen uitkomen. Het klonk als een geologisch verschijnsel wat we nog niet gezien hadden, en dus wilden we het graag bekijken. Bovendien kondigde de reisgids het aan als iets bijzonders.

Voor het bereiken van Myvatn moesten we autoweg nummer 1 – de enige autoweg de IJsland heeft – verlaten. Asfalt werd ingeruild voor gravel, die bij vlagen niet eens verhard was.
Het landschap waar we doorheen reden was net een maanlandschap. Het was een vlakte met enkele lage heuvels van bruine steen. Begroeiing was er nauwelijks.
De weg zelf zat vol met gaten. Soms zelfs enorme gaten, waar bij wijze van spreken een schaap in pastte. Schapen waar we tijdens het eerste deel van onze route nog door ‘begeleid’ werden. Vreemd genoeg zag je ze telkens in groepjes van drie. Twee liepen er dan aan de ene kant van de weg, en eentje liep er aan de andere kant. Wanneer wij met de auto zo’n groepje naderden, had het schaap wat alleen liep zoiets van “oh jee, een vreemd geluid, laat ik maar snel oversteken”. Wat het schaap dan ook telkens deed, bij voorkeur vlak voor onze bumper langs. Ingeborg reed, want ik had toen nog geen rijbewijs. Het was voor haar erg vermoeiend rijden, want de route van die dag was de langste van onze hele vakantie, en ze moest heel goed op de weg blijven letten.

Halverwege onze route van die dag lagen de Sulfatore. Naarmate we daar dichterbij kwamen, werd het landschap steeds kaler. Schapen hadden we al een hele tijd niet meer gezien, en er groeide helemaal niets meer.
We konden onze auto op een parkeerplaats neerzetten. Deze had genoeg plaats voor een behoorlijk aantal auto’s, maar toen wij er aan kwamen rijden stonden er maar een paar. Aan de andere kant van de weg konden we de Krafla krater zien liggen. Dit is een vulkaankrater die in 1980 ontploft is, en die we de volgende dag zouden gaan bezoeken. We waren namelijk te moe om die vandaag ook nog te bezoeken.
De parkeerplaats was rondom afgezet met lage houten paaltjes van zo’n 75 centimer hoog waartussen een touw was gespannen. Op één plaats in de afzetting zat een opening die je naar een pad leidde wat je tussen de zwavelpoelen doorleidde.
Langs deze afzetting stonden om de 10 meter gele waarschuwingsbordjes. Deze bordjes zijn mij van het bezoek van de Sulfatore – tezamen met de indringende zwavelstank – het meest bijgebleven. Het waren op zich heel gewone rechthoekig bordjes met een zwarte opdruk. Bovenaan zo’n bordje stond iets IJslands wat ik niet kon lezen. Daaronder stond een tekening van een laars die half in de grond gestoken was. Van de laars kwamen golvende zwarte lijntjes. Daarnaast stond een tekeningetje van een thermometer met een temperatuuraanduiding van 100. Het liet aan de verbeelding niets te wensen over: steek je been hierin, en hij wordt gaar! Heel bijzonder: dat is weer eens iets anders dan “pas op, vallende stenen”.
De bordjes schrokken ons niet af: we hadden op IJsland al diverse dingen gedaan die je normaal liever niet doet, zoals bovenaan een hoge waterval staan en naar beneden kijken, en boven een geiser hangen.

Je hoeft geen speciale kleding of schoenen aan om de poelen te bekijken. Ik had die dag een spijkerbroek, een van mijn standaard t-shirts, zo’n flanellen overhemd, en een blauwe zomerjas aan. Toevalligerwijs had ik ook veiligheidsschoenen met stalen punten aan, maar dat was meer toeval. Het was die dag vijftien graden – wat naar IJslandse maatstaven een hittegolf is – en het was dus lekker weer om buiten rond te wandelen.
Het pad wat je langs de poelen leidde was een soort circuit. Naarmate je verder het pad opliep, kwam je tussen meer poelen terecht. Blijkbaar vond men de waarschuwingsbordjes bij de parkeerplaats afdoende, want het pad was verder niet afgezet. Gelukkig was het wel een meter breed, en lag het altijd minimaal een meter van de poelen af.
Buiten het pad was het het zand roodbruinig, in een beetje vale kleuren. De modder in de poelen was grijs. Het leek wel of alle kleur uit het landschap was weggebeten of uitgekookt. Visueel waren de poelen niet zo heel erg spectaculair, want ze zijn grijs en af en toe komt er een pluim zwaveldamp uit, maar zo’n heel veld vol ziet er toch weer indrukwekkend uit.
Wat echt het meeste indruk maakte was de zwavelstank die bij de poelen hing. Stel je voor dat je heel lang alleen maar eiersalade eet met flink veel mayonaise. Stel je dan voor dat twintig mensen dat doen. En dat ze allemaal tegelijkertijd een wind laten. Dat ongeveer, maar dan continu, en honderd graden warm! Door mijn neus ademhalen ging haast niet. Nou ruikt alles in IJsland een beetje naar zwavel, dus ik dacht dat ik heel wat gewend was, maar op een gegeven moment ging ik vanzelf door mijn mond ademhalen. Na vijf minuten begon ik vage hoofdpijn te krijgen. Dat klinkt onschuldig, maar het zijn dus snoeihard wel vergiftigingsverschijnselen van de zwaveldampen.
We zijn het pad rondgelopen en hebben enkele foto’s gemaakt. Toen we weer in de auto zaten, rook alles naar die rotte eierlucht. Het ging helemaal in je kleren zitten. In het dashboardkastje vonden we een papieren luchtverfrissertje in de vorm van een denneboom. Normaal is het geen feest om daar met je neus boven te hangen, maar vergeleken met de zwavellucht rook het hemels. We hebben het ding dus meteen maar aan de achteruitkijkspiegel gehangen.

Alles bij elkaar zijn we tien minuten bij de sulfatoren geweest. Langer kan gewoon niet. De dag erna zijn we nog een keer terug geweest, om het nog een keer te ervaren. Het is toen weer bij 10 minuten gebleven.
Ik zou het iedereen aanraden om de sulfatoren te bezoeken. Het is een hele speciale ervaring, vooral vanwege de stank! En het is best wel mooi, al is het op een hele abstracte manier. Het idee dat de aardkorst daar zo dun is dat modderpoelen daar beginnen te koken, dat is wel een speciaal idee.
We zijn de volgende dag ook naar de Krafla geweest, en dat kan ik op zich heel duidelijk beschrijven. Daar kun je je wel iets bij voorstellen. Maar de sulfatoren… – niets kan je voorbereiden op hoe erg het daar stinkt. Dat is niet in woorden over te brengen, en daarom moet je het een keer gaan zien. We kennen allemaal wel zwavel van lucifers en zo, maar om het het daar in grote brokken te zien, dat is toch wel heel grappig.

Ik ben erg tevreden over het eindresultaat. De tekst loopt lekker en leest ook goed weg. Ik hoop dat de tekst geen onjuistheden bevat (maar mocht dat toch zo zijn, dan zal fub me ongetwijfeld op de vingers tikken!).

Wat nog ontbreekt, voor mijn gevoel, is een pakkende titel (pakkender dan “Sulfatore”!). Suggesties zijn dan ook welkom!

Eén reactie op “Laatste huiswerk voor de schrijfcursus!”

Opmerkingen zijn niet meer mogelijk.