(de eerste) Schrijfcursus, deel IV (nog een verlate aanvulling)

Ik ben nu alweer met de tweede schrijfcursus begonnen, maar ik herinnerde me een paar dagen geleden ineens een paar teksten die ik in de laatste les van de eerste schrijfcursus heb geschreven. Er stond me van bij dat ze toch wel erg grappig waren, en dus heb ik ze net opgezocht. En ze zijn inderdaad tè leuk om hier niet te vermelden.

In deze les ging het om vroege jeugdherinneringen, liefst zelfs nog de allervroegste. De opdracht bestond daarbij uit drie delen.
De eerste opdracht was heel kort en bondig:

Beschrijf één van je vroegste jeugdherinneringen

Veel meer toelichting werd er vooralsnog niet bij deze opdracht gegeven. Er werd wel nog aangegeven dat de beschrijving zo direct & zo zintuigelijk mogelijk moest zijn. We moesten de gebeurtenis beschrijven alsof we ons voor even ècht in dat moment bevonden.
Eén van de eerste dingen die me te binnen schoot was de volgende gebeurtenis met in de hoofdrol een broodrooster:

In een onregelmatig ritme stijgt een tikgeluid op uit de broodrooster. Dan weer harder, dan weer zachter. Doodeng is ‘t.
Er komt een blauw-grijze rook uit de broodrooster. Ik zie door een smalle spleet in de buitenkant hoe de gloeispiralen dreigend oranje opgloeien. Alsof een monster heel vies naar me kijkt. Waarom moet ik altijd naast dit vreselijk enge apparaat zitten?
Ik trek mijn benen op en zet mijn voeten op de zitting van de houten klapstoel waarop ik zit. De armen sla ik om mijn opgetrokken benen. Stevig druk ik mijn knieën tegen mijn borstkas. Hopelijk ben ik zo veilig. Je weet nooit wanneer dat apparaat uiteindelijk het brood weer uitspuugt. Tot die tijd klamp ik me maar angstvallig vast aan mezelf.

Na het aan elkaar voorlezen van onze verhalen, bleek dat we de teksten over het algemeen toch nog heel sterk als volwassenen geschreven hadden. Dus met lange zinnen, met (veel) volwassen woorden erin.

De opdracht werd nu uitgebreid.
Schrijf de eerdere gebeurtenis nog twee keer op:

  1. Beschrijf de eerste keer het verhaal als een acht-jarige. Bedenk daarbij dat een acht-jarige een nog vrij beperkte woordenschat heeft. Ook zal hij veel zinnen hetzelfde laten beginnen, en veel dingen herhalen. Ook zullen de zinnen vaak (erg) kort zijn, en zal een acht-jarige weinig bijvoeglijke naamwoorden en verwijzende naamwoorden gebruiken;
  2. Beschrijf de tweede keer het verhaal voor een acht-jarige. Deze keer mag je dus wat langere zinnen gebruiken, en ook woorden die een acht-jarige niet zelf zal gebruiken, maar die hij wel zal kunnen begrijpen.
Beschrijf de jeugdherinnering ALS een acht-jarige

Bij deze tekst heb ik geprobeerd om vooral zo eenvoudig mogelijke zinnen te gebruiken; zoals een acht-jarige ze zou gebruiken, dus.
En dat viel nog best tegen (je denkt toch nog teveel als een volwassene)!

De broodrooster is een eng ding. Het knopje waarmee je het brood laat zakken is kapot. Het is alleen nog maar een klein ijzeren dingetje. Met wat zwarte dingetjes eraan. En daar zitten gekke witte krulletjes aan. Het is een Ro-wen-ta. Er zit een zwart-wit snoer aan. Het is net een dikke slang. Hij krult alle kanten uit. Soms naar mij toe.
Pappa stopt brood in de rooster. Dan gaat ie heel eng tikken. Zachter. Soms weer harder. Alsof het een kringetje draait. Ik vind het heel eng. Je weet nooit wanneer het ding klaar is. Dan springt het brood eruit. Vaak is het zwart. Of het valt op tafel.
Ik ben er heel bang voor. Altijd schrik ik heel erg. Hij staat op de hoek van de tafel. Op het blauw-witte tafelkleed. Ik zit op de hoek van de tafel. Bij de broodrooster. Ik wil ergens anders zitten. Of van tafel gaan.

Over deze tekst was ik best tevreden. Er staan achteraf bezien nog steeds volop volwassen woorden en uitdrukkingen in. Zo zal een acht-jarige bijvoorbeeld niet snel “Je weet nooit wanneer…” gebruiken, maar het klinkt wel mooi zo. Ook is de tekst qua opbouw denk ik nog te strak: een acht-jarige zal denk ik wat chaotischer en minder samenhangend de dingen beschrijven.

Beschrijf de jeugdherinnering ALS een acht-jarige

Deze tekst heb ik geschreven als een soort voorleestekst. Tenminste: dat beeld kwam iedere keer bij me op – dat van een voorleesouder die dan met leuke stemmetjes en mooie intonatie een verhaaltje voorleest aan een klas met kinderen.
Qua beeld heb ik me het meeste op het enge aspect van de broodrooster gericht. Dat sprak me het meeste aan, en zag ik ook het meest sprekend voor me (in van die typisch, dramatische kinderboek tekeningen :-) En het is ook het aspect van de gebeurtenis die me het meest is bijgebleven!

De broodrooster naast me tikt gevaarlijk. Soms hard, soms zacht. Ik vind het doodeng, want het klinkt zo dreigend.
Soms komt er rook uit als er brood in zit. De glimmend metalen buitenkant is altijd heel erg heet. Ik heb me er al eens de hand aan gebrand. Toen moest ik hem van mamma onder de koude kraan houden.

Het engste zijn de gloeidraden in de rooster. Je kunt ze door de gleuven aan de bovenkant zien zitten. Ze gloeien heel eng oranje. Net een openhaard vuur.
Zou er soms een monster in het apparaat zitten? Een akelig monster wat je aankijkt.
Ik wil helemaal niet naast een ding met een monster zitten! Mamma, mag ik ergens anders gaan zitten? Ik ben bang.

2 reacties op “(de eerste) Schrijfcursus, deel IV (nog een verlate aanvulling)”

Opmerkingen zijn niet meer mogelijk.